Administraties
Adviezen
Controles en begeleiding
Belastingzaken
Salarisadministraties
Jaarrekeningen
Postbus 5
6675 ZG Valburg
Tielsestraat 62
6675 AE Valburg
T 0488 431801
F 0488 431952
E info@acm-valburg.nl
BTW nr: 8084.05.585.b.01
Kvk nr: 10036367
Becon nr: 365932
Gecertificeerd Lid N.O.A.B.
(Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen)
Eindejaarstips
Datum: 30-11-2009
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden ondernomen op basis van deze tips aanvaardt A.C.M. BV geen aansprakelijkheid.
Publicatie: naar de stand van de voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
Eindejaarstips 2009
1 Tips voor alle belastingplichtigen
1.1 Algemeen
1.1.1 Lever uw T-biljet op tijd in
U heeft recht op een teruggaaf inkomstenbelasting als uw werkgever meer loonheffing heeft ingehouden dan u op grond van persoonlijke omstandigheden moet betalen. Dit speelt als u bepaalde aftrekposten heeft, zoals de eigenwoningrente, reiskosten voor openbaar vervoer, lijfrentepremies, specifieke zorgkosten, scholingsuitgaven, giften, alimentatie aan ex-partner of levensonderhoud kinderen of als u recht heeft op heffingskortingen in verband met bijzondere omstandigheden, zoals de alleenstaande ouderkorting, levensloopverlofkorting en ouderschapsverlofkorting. U kunt binnen 5 jaar na afloop van het kalenderjaar een verzoek tot teruggaaf van inkomstenbelasting indienen bij de belastingdienst. Het T-biljet over het kalenderjaar 2004 moet uiterlijk 31 december 2009 door de belastingdienst ontvangen zijn. Belastingteruggaven van € 14 en minder krijgt u echter niet uitbetaald.
1.1.2 Koop een elektrische auto
Bent u van plan een elektrische auto aan te schaffen, wacht hier dan mee! In het Belastingplan 2010 is voorgesteld de bijtelling voor het privégebruik van de elektrische auto van de zaak in 2010 tot en met 2014 op 0%. Als de voorgestelde maatregelen worden aangenomen, dan wordt voor het kalenderjaar 2010 bij de ondernemingswinst of het loon het volgende bedrag bijgeteld:
Bijtelling over waarde auto
CO2-uitstoot voor diesel
CO2-uitstoot voor niet diesel
0% (elektrische auto)
14% (zeer zuinige auto)
< 96 gr/km
< 111 gr/km
20% (zuinige auto)
≥ 96, maar < 116 gr/km
≥ 111, maar < 140 gr/km
25% (onzuinige auto)
≥ 116 gr/km
≥ 140 gr/km
Alle nieuwe auto’s zijn voorzien van een energielabel waarop de CO2-uitstoot staat vermeld. De uitstootgegevens kunt u ook vinden in de brandstofverbruiksgids van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW).
1.1.3 Verzoek om een voorlopige achterwaartse verliesverrekening
Verwacht u een inkomstenbelastingteruggaaf als gevolg van een behaald verlies uit werk en woning in box 1 en/of aanmerkelijk belang in box 2, dan kunt u de belastingdienst alvast vragen om een voorlopige achterwaartse verliesverrekening. Dan moet wel uw aangifte over
Pagina 2 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
het verliesjaar zijn ingediend. Daarnaast moet voor het jaar waarnaar het verlies wordt teruggewenteld de definitieve aanslag zijn opgelegd. Bij de vaststelling van deze voorlopige teruggaaf wordt 80% van het vermoedelijke verlies in aanmerking genomen. Dit is gunstig voor uw liquiditeitspositie.
Om in de huidige kredietcrisis de liquiditeitspositie van ondernemingen te verbeteren, heeft de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd de voorwaarden voor de voorlopige achterwaartse verrekening van ondernemingsverliezen over 2008 te versoepelen. In de eerste plaats kan een verlies voorlopig worden teruggewenteld voordat uw aangifte over 2008 is ingediend. U moet dan bijvoorbeeld aan de hand van een voorlopige jaarrekening aannemelijk maken dat een verlies is geleden. Ten tweede hoeft voor het jaar waarnaar het verlies wordt teruggewenteld nog geen definitieve aanslag te zijn opgelegd; het is al voldoende als een voorlopige aanslag is opgelegd. De staatssecretaris verbindt aan het verzoek voorwaarden die zijn opgenomen in het besluit van 8 april 2009, nr. CPP2009/482M, Stcrt. 2009, 70. Per 1 juli 2010 vervalt de versoepeling. Bij IB-ondernemers met een gebroken boekjaar gaat het om het boekjaar 2007-2008 dat wordt verantwoord in de aangifte inkomstenbelasting 2008. Voor een BV zal dat het boekjaar 2008-2009 zijn dat in de aangifte vennootschapsbelasting 2008 wordt verantwoord.
1.1.4 Verzoek om middeling
U kunt de belastingdienst verzoeken de geheven inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over uw inkomen uit werk en woning in box 1 van 3 achtereenvolgende hele kalenderjaren te middelen. U mag zelf het middelingstijdvak kiezen. Kalenderjaren kunnen maar 1 keer in een middelingstijdvak worden betrokken. Hierdoor kunt u uw effectieve belastingdruk verlagen. Het middelingsverzoek moet u binnen 36 maanden indienen nadat alle 3 de aanslagen onherroepelijk vaststaan. De belastingteruggaaf wordt alleen verleend als het verschil tussen de geheven en de herrekende belasting meer dan € 545 bedraagt. Anders gezegd, belastingteruggaven tot maximaal € 545 krijgt u niet uitbetaald.
1.1.5 Ongehuwd samenwonenden kies om elkaars partner in IB te zijn
Om gehuwden en ongehuwd samenwonenden in vergelijkbare situaties voor de heffing van de inkomstenbelasting zoveel mogelijk gelijk te behandelen is in 2001 het partnerbegrip ingevoerd. Onder partner wordt verstaan:
a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot;
b. de geregistreerde partner;
c. de ongehuwde en meerderjarige samenwonenden die in het kalenderjaar meer dan 6 maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouden voeren en die beiden in die periode ingeschreven te staan op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (verder: GBA) en gezamenlijk kiezen voor de kwalificatie als partner;
d. de langstlevende partner kan kiezen voor de kwalificatie als partner als de andere partner voor 1 juli van het kalenderjaar overlijdt, zodat 6 maanden of minder een gezamenlijke huishouding kon worden gevoerd. Voorwaarde is dat in het voorafgaande kalenderjaar ook voor de kwalificatie als partner is gekozen;
Pagina 3 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
e. bloedverwanten in de eerste graad die beiden op 1 januari van het kalenderjaar 27 jaar en ouder zijn en kiezen voor het partnerschap (vader, moeder, kind);
f. belastingplichtige die geen inwoner van Nederland is en wel kiest voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtige.
De keuze voor het partnerschap moet gezamenlijk elk jaar bij de aangifte inkomstenbelasting of de voorlopige teruggaaf worden gemaakt. Als u en uw partner samen kiezen elkaars fiscale partner te zijn, dan mag u de gemeenschappelijk inkomensbestanddelen (box 1), de bestanddelen van de rendementsgrondslag (box 3) en de persoonsgebonden aftrek onderling vrij verdelen. U kiest dan een verdeling die het voordeligst is. Wel moet u zodanig verdelen dat de u samen telkens weer op 100% van de gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen en persoonsgebonden aftrek uitkomt. Op die manier kunt u optimaal gebruik maken van de tariefverschillen tussen u en uw partner. De gemeenschappelijke inkomensbestanddelen zijn de belastbare inkomsten uit eigen woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek.
Het kabinet stelt voor per 1 januari 2011 voor alle belastingwetten 1 basispartnerbegrip in te voeren waartoe behoren gehuwden, geregistreerde partners en samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract die op hetzelfde adres in de GBA staan ingeschreven. Vervolgens kan het basispartnerbegrip in de afzonderlijke wetten worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. Voor de heffing van de inkomstenbelasting worden ongehuwd samenwonenden met een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling als verplicht partner aangemerkt als ze in de GBA staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Ongehuwd samenwonenden zonder gezamenlijk kind, gezamenlijke eigen woning of gezamenlijke pensioenregeling zijn geen partners voor de inkomstenbelasting en kunnen daar ook niet meer voor kiezen. Gehuwden die door een opname in een verpleeghuis niet meer samenwonen, blijven − net als onder de huidige regelgeving − partners. Gehuwden die gescheiden van tafel en bed leven zijn geen partners.
1.2 Aangifte doen
Iedereen die in Nederland woont, is belastingplichtig voor de inkomstenbelasting. Toch krijgt niet iedereen een aangiftebiljet toegestuurd. Wanneer u met behulp van uw gegevens en bescheiden er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat u wel inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet over 2009 verschuldigd bent, bestaat de mogelijkheid dat de belastingdienst geen aangiftebiljet uitreikt vóór 1 juli 2010. In dat geval moet u vóór 14 juli 2010 schriftelijk verzoeken tot uitreiking daarvan1. In 2009 wordt het nalaten van een dergelijk verzoek aangemerkt als een strafbaar feit. De strafrechtelijke boete is maximaal € 7.400. Daar staat tegenover dat in de praktijk strafrechtelijke vervolging echter nagenoeg niet voorkomt.
1 Art. 6 AWR nader geregeld in art. 2 Uitv.reg. AWR 1994.
Pagina 4 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
In het Belastingplan 2010 is daarom voorgesteld een bestuurlijke boete op te leggen in plaats van een strafrechtelijke geldboete als u een dergelijk verzoek nalaat. De bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 4.920.
1.3 Vanaf 2010 hogere verzuimboete bij niet-nakoming aangifteverplichting
U of uw eigen BV bent/is verplicht om tijdig, juist en volledig aangifte inkomstenbelasting respectievelijk vennootschapsbelasting te doen. Bij deze aanslagbelastingen bedraagt de verzuimboete wegens aangifteverzuim in 2009 maximaal € 1.1342.
In het Belastingplan 2010 is voorgesteld de maximale verzuimboete wegens aangifteverzuim bij aanslagbelastingen vast te stellen op maximaal € 4.920. De belastingdienst legt deze verzuimboete op als u of uw eigen BV niet reageert op de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning om aangifte te doen.
1.4 Vanaf 2010 verzuimboete bij niet-nakoming betalingsverplichting
In 2009 krijgt u of uw eigen BV geen verzuimboete als een aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting (aanslagbelastingen) niet of niet tijdig wordt betaald.
In het Belastingplan 2010 is voorgesteld het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van een aanslagbelasting aan te merken als een verzuim, waarvoor een verzuimboete wordt opgelegd. De verzuimboete wegens betalingsverzuim (bij aanslag- en aangiftebelastingen, zoals de loon- en omzetbelasting) bedraagt maximaal € 4.920.
1.5 Eigen woning
1.5.1 Los eigenwoningschuld voor dure woning af
Sinds 1 januari 2009 is het maximale eigenwoningforfait vervallen (2008: € 9.300). Voor woningen met een WOZ-waarde boven de € 1 miljoen wordt in 2009 het eigenwoningforfait berekend op € 5.500 vermeerderd met 0,55% van de eigenwoningwaarde boven de € 1 miljoen. In de jaren 2010 tot en met 2016 wordt dit percentage in 7 gelijke stappen verhoogd:
Belastingjaar
Percentage
2009
0,55%
2010
0,81%
2011
1,06%
2012
1,32%
2013
1,58%
2014
1,84%
2015
2,09%
2 Art. 67a, eerste lid, AWR.
Pagina 5 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
2016
2,35%
Wanneer u uw woning (nagenoeg) volledig met eigen vermogen heeft gefinancierd, dan heeft u waarschijnlijk geen last van de verhoging van het eigenwoningforfait. U kunt dan gebruik maken van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Ga na of het aflossen van uw huidige eigenwoningschuld voordeliger is. Houd wel rekening met eventuele boeterente bij vervroegde aflossing.
1.5.2 Help uw kind bij financiering van een eigen woning
Leen uw kind, indien mogelijk, een bedrag waarmee het de eigen woning (gedeeltelijk) kan financieren. Bij u verandert er fiscaal gezien niets als u hiervoor zelf geen geld hoeft te lenen. Uw kind kan de rente als eigenwoningrente aftrekken tegen het progressieve tarief. Ook bereikt u hiermee dat uw kind minder of geen afsluitprovisie betaalt. Bovendien kunt u aan uw kind jaarlijks een maximumbedrag (belastingvrij) schenken. Let er wel op dat het geschonken bedrag niet gelijk is aan de rente die uw kind betaalt.
1.5.3 Controleer op lagere WOZ-waarde in 2010
Elke gemeente geeft normaliter binnen 8 weken na 1 januari 2010 de WOZ-beschikking 2010 naar de waardepeildatum 1 januari 2009 af. De WOZ-beschikking wordt meestal opgenomen in de aanslag onroerende zaakbelasting. Als u het niet eens bent met de vastgestelde WOZ-waarde kunt u tegen deze beschikking in bezwaar gaan. De gemeente moet uw bezwaarschrift binnen 6 weken na dagtekening van de beschikking hebben ontvangen. Laat u de bezwaartermijn onverhoopt verstrijken dan bestaan er geen andere beroepsprocedures meer open. In een procedure worden op grond van een wettelijke bepaling geringe waardeverschillen (drempelbedragen) niet gecorrigeerd. Voor 2009 en 2010 gelden de volgende drempelbedragen (art. 26a Wet WOZ). Bij een woning met een waarde tot € 200.000 wordt de waarde geacht correct te zijn, tenzij u aantoont dat de waarde meer dan 5% lager is. Ligt de woningwaarde tussen de € 200.00 en € 500.000 dan moet u aantonen dat de waarde meer dan 4% of meer dan € 10.000 lager is. Bij een woning met een waarde tussen de € 500.000 en € 1 miljoen, moet u aantonen dat de waarde meer dan 3% of meer dan € 20.000 lager is. Ligt de woningwaarde boven de € 1 miljoen dan moet u aantonen dat de waarde meer dan 2% of meer dan € 30.000 lager is. Voor een woning boven de € 5 miljoen moet u aantonen dat de waarde meer dan € 100.000 lager is, ook al is het verschil minder dan 2% van de vastgestelde waarde. De WOZ-waarde wordt gebruikt bij de bepaling van het eigenwoningforfait, de aanslag onroerende zaakbelasting en waterschapslasten.
Door de economische en financiële crisis dalen de verkoopprijzen van woningen. Deze dalingen zullen normaliter ook tot uitdrukking moeten komen in de WOZ-waarde op de peildatum 1 januari 2009. Controleer dus uw WOZ-beschikking 2010.
Pagina 6 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
1.5.4 Overdracht woning rond 31 december
Het plan om uw eigen woning rond de jaarwisseling over te dragen, zonder dat u al een andere koopwoning bezit, kunt u vanuit fiscaal oogpunt beter uitstellen tot na 1 januari. Wanneer u uiterlijk op 31 december een verkoopopbrengst realiseert die u liquide aanhoudt, moet u over het gemiddelde banksaldo per 1 januari en 31 december – mits boven het vrijstelling bedrag – 1,2% inkomstenbelasting betalen.
Heeft u wel al een andere eigen woning met vreemd vermogen gekocht dan is het gunstiger om de oude woning voor de jaarwisseling over te dragen.
Wilt u de aankoop van een woning met eigen vermogen financieren dan is het juist voordeliger om de eigendomsoverdracht vóór 31 december te laten plaatsvinden. Uw banktegoed per 31 december is dan geheel of gedeeltelijk afgenomen, zodat de grondslag in box 3 is verminderd (misschien tot nihil).
1.5.5 Renteaftrek over meegefinancierde kosten voor doorstromers vanaf 2010
Taxatiekosten voor de hypotheekaanvraag, afsluitprovisie en notariskosten die u in 2009 heeft betaald voor de verwerving van uw eigen woning zijn aftrekbaar. U heeft de mogelijkheid deze kosten (behalve soms de afsluitprovisie) zelf te betalen of anders mee te financieren. Sinds de invoering van de bijleenregeling is de rente over deze meegefinancierde kosten wel aftrekbaar voor starters op de woningmarkt, maar niet voor de zogenoemde doorstromers. Doorstromers zijn mensen die van hun ene naar hun andere eigen woning zijn verhuisd en te maken krijgen met de bijleenregeling.
Het verschil in fiscale behandeling tussen starters en doorstromers met meegefinancierde kosten wordt met ingang van 1 januari 2010 opgeheven. Doorstromers kunnen daardoor vanaf 2010 ook de rente over de meegefinancierde kosten aftrekken.
1.5.6 Behoud renteaftrek na tijdelijke verhuur van te koop staande woning
Als u in 2009 een andere eigen woning koopt en deze gaat bewonen, mag u de eigenwoningregeling toch nog toepassen op de achtergelaten onverkochte eigen woning. De (hypotheek)rente is aftrekbaar gedurende de rest van het kalenderjaar waarin de woning wordt verlaten, plus daarna nog maximaal 2 kalenderjaren. Deze faciliteit staat ook wel bekend als de verhuisregeling. De voorwaarden zijn dat de woning sinds het moment dat de woning niet langer als eigen woning ter beschikking staat, leeg staat en u aannemelijk maakt dat de woning voor de verkoop is bestemd. Zodra u de achtergelaten eigen woning verhuurt binnen de periode van de verhuisregeling, vervalt de (hypotheek)renteaftrek in box 1. De woning en de schuld verhuizen op dat moment van box 1 naar box 3 en is de bijleenregeling van toepassing.
In het Belastingplan 2010 is voorgesteld om na afloop van een periode van verhuur van de achtergelaten te koop staande woning de (hypotheek)rente te laten herleven voor de
Pagina 7 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
resterende periode waarin (hypotheek)renteaftrek is toegestaan. Kortom, de woning keert terug naar box 1. De maatregel geldt in beginsel alleen wanneer u op of na 1 januari 2010 gaat verhuren. Echter aan deze maatregel wordt terugwerkende kracht verleend. In geval u dus vóór 1 januari 2010 bent gaan verhuren of als de verhuur al is beëindigd, kunt u toch een beroep doen op de herleving van de dubbele (hypotheek)renteaftrek. De voorgestelde regeling geldt ook in de gevallen dat een nieuw gekochte woning wordt verhuurd in plaats van de huidige woning3.
De mogelijkheid bestaat de woning in afwachting van verkoop tijdelijk te verhuren op basis van de Leegstandswet. De gemeente moet kan daarvoor toestemming geven. Deze verhuur is wel aan voorwaarden verbonden (Zie brochure leegstandswet die is te vinden op de website van de VNG, www.vng.nl/eCache/DEF/87/451.html). Bovendien moet de bank veelal toestemming verlenen voor de tijdelijke verhuur.
1.5.7 Let op verjaringstermijn eigenwoningreserve
In de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is voorgesteld per 1 januari 2010 de verjaringstermijn van de eigenwoningreserve te verkorten van 5 naar 3 jaar. Als de voorgestelde maatregel wordt aangenomen, moeten u en de belastingdienst tot 3 jaar na de verkoop van de woning rekening houden met de stand van de eigenwoningreserve. Na afloop van de 3-jaarstermijn vervalt de eigenwoningreserve.
1.5.8 Vanaf 2010 goedkoperwonenregeling afgeschaft
De bijleenregeling is van toepassing als u bijvoorbeeld in 2009 een goedkopere eigen woning koopt dan de vorige eigen woning. De eigenwoningschuld van de goedkopere woning is in beginsel gelijk aan de eigenwoningschuld van de vorige eigen woning, behalve als de aankoopprijs (inclusief de aankoopkosten) van de goedkopere woning lager is. De goedkoperwonenregeling werkt begunstigend voor mensen die goedkoper gaan wonen, behalve als de partnerregeling voor de toepassing van de bijleenregeling van toepassing is. De partnerregeling speelt alleen een rol als een van beide partners een eigenwoningreserve heeft en daarvan is doorgaans slechts sprake als een van beide partners onder de goedkoperwonenregeling valt.
Voorbeeld 1
Iemand verkoopt in jaar 1 zijn eerste woning voor € 500.000. Bij verkoop bedraagt de eigenwoningschuld € 200.000. Het vervreemdingssaldo en daarmee de eigenwoningreserve bedraagt dan € 300.000. In jaar 2 wordt een nieuwe woning gekocht voor € 400.000, die volledig wordt gefinancierd. Op grond van de hoofdregel zou de nieuwe eigenwoningschuld dan € 100.000 bedragen, terwijl de oude eigenwoningschuld € 200.000 bedroeg. Daarom mag de nieuwe eigenwoningschuld ook € 200.000 bedragen. De eigenwoningreserve van € 300.000 neemt af met € 200.000 (aankoopprijs
3 Zie schriftelijke beantwoording van vragen van de vaste commissie voor Financiën van 5 november 2009 (AFP/2009/0699 U).
Pagina 8 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
minus eigenwoningschuld) tot € 100.000. De lening ad € 400.000 wordt voor een bedrag van € 200.000 als eigenwoningschuld aangemerkt en valt in box 1; het overige deel ad € 200.000 behoort tot box 3.
Het kabinet stelt voor de goedkoperwonenregeling met ingang van 1 januari 2010 af te schaffen. Op grond van overgangsrecht blijft de goedkoperwonenregeling gehandhaafd voor de gevallen waarin een nieuwe eigen woning is gekocht vóór 1 oktober 2009 en de oude eigen woning wordt verkocht na 1 januari 2010. De renteaftrek over de oude schuld blijft derhalve behouden.
1.5.9 Eigenwoningforfait in verhuisjaren
Bij verhuizing van de ene naar de andere eigen woning in 2009 berekent u het eigenwoningforfait van elke eigen woning tijdsevenredig aan de hand van de feitelijke verhuisdatum.
In de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is voorgesteld met ingang van 1 januari 2010 in verhuisjaren voor de begin- of einddatum voor het eigenwoningforfait uit te gaan van de datum van wijziging van het woonadres in de GBA. U bent verplicht uw adreswijziging binnen 5 dagen na de verhuizing door te geven aan de gemeente.
1.5.10 Verhuur uw eigen woning tijdelijk
U kunt uw eigen woning bijvoorbeeld tijdens de vakantieperiode tijdelijk verhuren zonder de toepassing van de eigenwoningregeling te verliezen. Tijdens de verhuurperiode in 2009 is het eigenwoningforfait niet van toepassing op het verhuurde deel, maar wordt 75% van de bruto huuropbrengst belast. De eigenwoningrente blijft ook tijdens de verhuurperiode aftrekbaar.
In de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is voorgesteld met ingang van 1 januari 2010 bij tijdelijke verhuur het eigenwoningforfait over het hele kalenderjaar te berekenen. Ter compensatie wordt dan 70% in plaats van 75% van de bruto huuropbrengst belast.
1.6 Lijfrente
1.6.1 Betaal uw lijfrentepremie op tijd
Alleen bij een pensioentekort kunt u een lijfrentepremie op basis van de jaar- en/of reserveringsruimte aftrekken. Voor het deel van de jaarruimte dat u de afgelopen 7 jaar niet (volledig) heeft benut, heeft u recht op de reserveringsruimte. Deze reserveringsruimte biedt u de mogelijkheid een extra bedrag aan lijfrentepremie in mindering te brengen op uw inkomen. Deze ruimte bedraagt niet meer dan 17% van de premiegrondslag over het voorgaande jaar, met een maximum van € 6.703. Voor wie op 1 januari 2009 55 jaar of ouder is, geldt een maximum van € 13.238. Om de lijfrentepremie in 2009 te mogen aftrekken, moet deze op of na 1 januari 2009 en vóór 1 april 2010 zijn betaald.
Pagina 9 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
Lijfrentepremies zijn aftrekbaar als ze zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar of in de eerste 3 maanden van het volgende kalenderjaar (terugwenteling). Het kabinet stelt voor de terugwentelingstermijn van 3 maanden met ingang van 1 januari 2011 te laten vervallen. Kortom, om de lijfrentepremie in 2010 te mogen aftrekken, moet deze vóór 1 januari 2011 zijn betaald. Daar staat tegenover dat de terugwentelingstermijn van 6 maanden voor lijfrentepremies bij staking van een onderneming en/of omzetting van de fiscale oudedagsreserve gehandhaafd blijft.
1.6.2 Stel uw lijfrente-uitkeringen tijdig vast
De termijn om de lijfrente-uitkeringen na de expiratiedatum van uw lijfrentekapitaal te laten vaststellen bedraagt bij leven 6 maanden en bij overlijden 12 maanden. De beide termijnen zijn beleidsmatig vastgesteld.
In het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is voorgesteld een wettelijke en ruimere termijn per 1 januari 2010 in te voeren.
Redelijke termijn in
2010
Expiratie lijfrentekapitaal bij leven
Kalenderjaar van expiratie + 1 kalenderjaar
Expiratie lijfrentekapitaal bij overlijden
Kalenderjaar van expiratie + 2 kalenderjaren
1.7 Inkomen uit sparen en beleggen
1.7.1 Benut uw vrijstellingen in box 3
De vermogensrendementsheffing in box 3 kent een aantal vrijstellingen. Om uw belastingdruk te verlagen, kunt u over 2009 mogelijk de volgende vrijstellingen toepassen:
• onbeperkte vrijstelling voor belastingvorderingen en -schulden inclusief de rente die de rijksoverheid, provincie, gemeente of waterschap kunnen opleggen (art. 5.3);
• heffingvrij vermogen per belastingplichtige: € 20.661 (art. 5.5). Voor fiscale partners verdubbelt dit bedrag;
• heffingvrij vermogen per (op 31 december) minderjarig kind (zogenoemde kindertoeslag): € 2.762. Wanneer u deze vrijstelling claimt, moet u het ouderlijk gezag over uw kind hebben (art. 5.5);
• ouderentoeslag voor een belastingplichtige die op 31 december 65-jaar of ouder is. Afhankelijk van uw box-3-saldogrondslag4 en uw box-1-inkomen bedraagt de ouderentoeslag maximaal € 27.350 (art. 5.6);
• onbeperkte vrijstelling voor bossen, natuurterreinen en landgoederen5 (art. 5.7);
• onbeperkte vrijstelling voor kunst en wetenschap, mits het beleggingskarakter 70% of minder is (art. 5.8);
4 Gemiddelde rendementsvermogen na aftrek van heffingvrij vermogen en kindertoeslag.
5 In de zin van de Natuurschoonwet 1928.
Pagina 10 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
• onbeperkte vrijstelling voor op basis van het erfrecht verkregen vruchtgebruik of bloot eigendom op roerende zaken in eigen gebruik, mits het beleggingskarakter 70% of minder is (art. 5.9);
• vrijstelling voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen tot maximaal € 123.428 (art. 5.10);
• vrijstelling voor totaal van geblokkeerde spaartegoeden, (aandelen)opties en winstbewijzen gedurende blokkeringstermijn in het kader van de spaarloonregeling: € 17.025 (art. 5.11);
• vrijstelling voor pacht- en huurtermijnen met een looptijd korter dan 1 jaar die u nog tegoed heeft of nog schuldig bent (art. 5.12);
• vrijstelling voor maatschappelijke beleggingen (groene beleggingen en sociaal ethische beleggingen) per belastingplichtige maximaal: € 55.145. Voor fiscale partners verdubbelt dit bedrag (art. 5.13 tot en met 5.15);
• vrijstelling voor (in)directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen per belastingplichtige maximaal € 55.145 (art. 5.16).
In het wetsvoorstel Overige Fiscale maatregelen 2010 is voorgesteld in box 3 een vrijstelling voor MKB-beleggingen, evenals een heffingskorting, in te voeren. De maatregel geldt voor 5 jaar en zal in werking treden op een bij Koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
1.7.2 Neem vanaf 2010 vordering en schulden inzake erfbelasting op in box 3
Zoals vermeld, behoren belastingvorderingen en -schulden niet tot het inkomen uit sparen en beleggen in box 3. In het Belastingplan 2010 is voorgesteld vanaf 1 januari 2010 vorderingen en schulden (inclusief heffings- en invorderingsrente) die voortvloeien uit de − naar verwachting vanaf 2010 geldende − erfbelasting te laten meetellen voor het box-3-vermogen. Ook de vorderingen en schulden inzake een buitenlandse erfbelasting kunt u aan het box-3-inkomen toerekenen. De totale schulden (dus inclusief de erfbelastingschuld) komen in box 3 pas in aftrek voor zover ze het drempelbedrag overschrijden. Op grond van overgangsrecht moeten op 1 januari 2010 nog openstaande successierechtvorderingen en -schulden worden toegerekend aan het inkomen uit sparen en beleggen in box 3. Daar staat tegenover dat successie- en erfbelastingschulden die voortvloeien uit de bedrijfsopvolgingsregeling niet aan de schuld in box 3 kunnen worden toegerekend.
1.7.3 Neem verplichting tot doen van periodieke giften als schuld op in box 3
Periodieke giften die voldoen aan de gestelde voorwaarden zijn onder de persoonsgebonden aftrek aftrekbaar van uw belastbaar inkomen. Naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad kunt u vanaf 27 februari 2009 uw verplichting tot het doen van periodieke giften aanmerken als een schuld die deel uitmaakt van het inkomen uit sparen en beleggen in box 36. Om de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad te repareren, heeft het kabinet voorgesteld dat
6 HR 27 februari 2009, nr. 07/12914, BNB 2009/203c*, V-N 2009/11.10.
Pagina 11 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
verplichtingen tot het doen van periodieke giften met terugwerkende kracht tot en met 30 december 2009 niet tot de schulden in box 3 behoren. Ook alimentatieverplichtingen worden vanaf die datum als schuld in box 3 uitgesloten.
1.7.4 Hoe waardeert u woningen in box 3?
Wanneer u bijvoorbeeld een andere woning dan uw eigen woning gedurende een periode van minimaal 30% van het jaar zelf kunt gebruiken, is sprake van een tweede woning die in box 3 valt. De in Nederland gelegen tweede woning wordt op 1 januari en 31 december 2009 gewaardeerd op de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari 2008 die geldt voor het WOZ-tijdvak 2009. De overige woningen worden in 2009 gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (objectieve vrije marktprijs).
Het kabinet stelt voor alle woningen die in box 3 vallen met ingang van 1 januari 2010 te waarderen op de WOZ-waarde. U mag echter niet voor alle woningen uitgaan van 100% van de WOZ-waarde.
Voor verhuurde woningen die onder de huurbescherming vallen, wordt de WOZ-waarde gecorrigeerd met een waardedrukkende factor wegens verhuur. In de praktijk bestaat immers een nauw verband tussen de waarde in het economische verkeer (in verhuurde staat) en de jaarlijks betaalde huur. Voor de waardering van verhuurde woningen in box 3 is gekozen voor een tabel die rekening houdt met de WOZ-waarde en de jaarlijkse huursom.
Voor vakantiewoningen geldt geen waardedrukkende factor wegens verhuur, omdat ze niet onder de huurbescherming vallen; ze worden daarom gewaardeerd op 100% van de WOZ-waarde.
Woningen waarvoor jaarlijks een erfpachtcanon is verschuldigd, worden gewaardeerd op de WOZ-waarde na aftrek van de gekapitaliseerde waarde van de toekomstige jaarlijkse erfpachtcanons.
1.7.5 Vrijstelling contant geld en vergelijkbare vermogensrechten vanaf 2010
Op 1 januari en 31 december 2009 in bezit zijnd contant geld en vergelijkbare vermogensrechten behoren tot de belastbare bezittingen in box 3.
Het kabinet stelt voor met ingang van 1 januari 2010 in box 3 een vrijstelling voor een totaalbedrag van € 500 per belastingplichtige op te nemen voor geld en elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, evenals tegoed-, boeken- en entertainmentbonnen, airmiles, bonuspunten, spaarzegels, beltegoeden, strippenkaarten en overige overdraagbare vervoersbewijzen. Voor fiscale partners verdubbelt het vrijgestelde bedrag.
1.7.6 Houd 1 peildatum in box 3 bij per 2011
U moet uw inkomen uit sparen en beleggen berekenen op het gemiddelde van de rendementsgrondslag op 1 januari en 31 december van elk kalenderjaar.
Pagina 12 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
Het kabinet stelt voor om per 2011 nog maar 1 peildatum te hanteren; 1 januari van elk kalenderjaar. Voor 2011 hoeft u uw bezittingen en schulden dan alleen nog op de peildatum 1 januari 2011 vast te stellen; ook het bepalen van een gemiddelde is niet langer nodig. Bij emigratie en immigratie wordt de 4% tijdsevenredig herrekend.
1.8 Persoonsgebonden aftrek
1.8.1 Vraag dieetverklaring aan
Chronisch zieken en gehandicapten kunnen hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in mindering brengen op hun belastbaar inkomen in box 1, respectievelijk box 3 en box 2. Binnen de regeling voor specifieke zorgkosten komen dieetkosten voor aftrek in aanmerking, mits het gaat om een op medisch voorschrift gehouden dieet dat is opgenomen in de dieetkostentabel waarvoor een arts een dieetverklaring heeft afgegeven. De voorwaarde voor het afgeven van een dieetverklaring door een arts komt met ingang van 1 januari 2010 te vervallen. De dieetkostenaftrek wordt dan ook verleend als de dieetverklaring is afgegeven door een diëtist.
1.8.2 Gebruik aftrek voor periodieke en overige giften
Giften die zijn betaald aan kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nutbeogende instellingen komen voor aftrek in aanmerking. Vanaf 2008 is aftrek alleen mogelijk als de instelling voorkomt op de lijst van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-lijst) van de belastingdienst.
Wanneer u toch al regelmatig schenkt aan een goed doel, kunt u ook kiezen voor een periodieke gift. Voor zo’n gift geldt namelijk geen aftrekdrempel als u notarieel vastlegt dat u minimaal 5 jaar lang, maar uiterlijk tot het tijdstip van uw overlijden, gelijkmatig een vast bedrag aan de instelling van uw keuze schenkt.
1.8.3 Spaar uw overige giften op
Wilt u uw overige giften kunnen aftrekken, dan moeten deze totaal zowel € 60 als 1% van uw (bij partners: gezamenlijke) verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan. Er is geen aftrek mogelijk wanneer het drempelinkomen op nihil of negatief is berekend. Komen uw uitgaven niet boven deze drempel uit, spaar dan uw overige giften op en schenk bijvoorbeeld eens in de 2 jaar. Houd u wel het plafond in de gaten! Het aftrekbare bedrag is namelijk maximaal 10% van het (gezamenlijke) verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.
1.8.4 Ondersteun uw kind financieel tijdens studie
Ouders die de studiekosten van hun kind(eren) betalen, kunnen die kosten niet als eigen scholingsuitgaven aftrekken. Wanneer een kind van zijn ouders een financiële bijdrage
Pagina 13 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
ontvangt, kan het zijn eigen studiekosten betalen en onder voorwaarden als scholingsuitgaven in aftrek brengen.
Ouders die minimaal 30% van de kosten van levensonderhoud voor hun kind jonger dan 30 jaar betalen, kunnen onder voorwaarden een forfaitair bedrag aftrekken. Afhankelijk van de leeftijd van uw kind bedraagt in 2009 het forfait tussen de € 1.160 en € 4.200 per jaar. Er mag geen recht bestaan op kinderbijslag, studiefinanciering of een vergelijkbare buitenlandse regeling.
1.9 Heffingskortingen
1.9.1 In 2010 geen doorwerkbonus voor levensloopverlof bij prepensioen
Wanneer u als werknemer uw levenslooptegoed in 2009 opneemt om eerder met pensioen te gaan en uw dienstbetrekking blijft in stand, dan geniet u inkomsten uit tegenwoordige arbeid. De levensloopuitkeringen tijdens die verlofperiode behoren daarom ook tot de arbeidskortingsgrondslag voor de doorwerkbonus. Het kabinet acht het toekennen van de doorwerkbonus aan werknemers die feitelijk met vervroegd pensioen gaan, in strijd met het beoogde doel van de doorwerkbonus om langer door te werken. Daarom worden de levensloopuitkeringen, voor dergelijke deelnemers die op 1 januari van het kalenderjaar de 61-jarige leeftijd hebben bereikt, met ingang van 1 januari 2010 aangemerkt als inkomen uit vroegere dienstbetrekking en bestaat geen recht op de doorwerkbonus. Gebruikt u in 2010 het levensloopverlof voor deeltijdverlof (of voor een kortere periode van levensloopverlof) dan behoudt u wel uw recht op de doorwerkbonus.
1.9.2 Samenvoeging (aanvullende) alleenstaande ouderkorting in 2011
Bent u een alleenstaande ouder dan heeft u recht op de alleenstaande-ouderkorting als u in 2009 meer dan 6 maanden:
a. geen partner heeft;
b. een huishouding voert met een kind dat u in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres staat ingeschreven;
c. een huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij aanvang van het jaar nog geen 27 jaar zijn.
Bovendien heeft u recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting als:
a. u recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting;
b. u tegenwoordige arbeid verricht; en
c. in het kalenderjaar gedurende meer dan 6 maanden tot uw huishouden een kind behoort dat op 1 januari van het kalenderjaar nog geen 16 jaar oud is en gedurende die periode op hetzelfde woonadres is ingeschreven.
Het kabinet stelt voor de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande ouderkorting met ingang van 1 januari 2011 samen te voegen. De toets of het kind tot het huishouden behoort, komt te vervallen. Vanaf 2011 is, ook voor de inkomensafhankelijke
Pagina 14 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
combinatiekorting, van belang op welk adres het kind is ingeschreven in de GBA. Controleer dus of uw kind(eren) op het juiste adres in de GBA is/zijn ingeschreven.
1.10 Erven en schenken
1.10.1 Schenk belastingvrij aan kinderen
In 2009 mag u uw kind tot een bedrag van € 4.556 belastingvrij schenken. Is uw kind (of diens partner) ouder dan 18 maar jonger dan 35 jaar, dan mag u hem of haar in plaats daarvan ook eenmalig tot € 22.760 belastingvrij schenken. U moet bij gebruik van deze eenmalige vrijstelling altijd aangifte doen. Volgens goedkeurend beleid is de eenmalige vrijstelling ook van toepassing als uw kind de 35-jarige leeftijd al is gepasseerd, maar diens partner nog niet7.
In het wetsvoorstel Wijziging van de Successiewet 1956 is voorgesteld de tariefschijven, de vrijstellingen en de tarieven voor de schenkbelasting met ingang van 1 januari 2010 te wijzigen. Als de voorgestelde maatregel wordt aangenomen, dan is zoals uit de volgende voorbeelden blijkt niet in alle gevallen sprake van een belastingverlaging in 2010 (Zie www.minfin.nl/schenkenenerven.nl). U zult dus een afweging moeten maken in welk kalenderjaar u gaat schenken. In de huidige tariefstructuur is de schenking tot € 45.519 belast tegen maximaal 8%, terwijl in de voorgestelde tariefstructuur 10% wordt geheven over de eerste € 125.000.
Voorbeeld 2
De ouders schenken aan een kind bijvoorbeeld € 45.000 in contanten. Het verschuldigde schenkingsrecht over 2009 is berekend op € 2.553, terwijl de verschuldigde schenkbelasting over 2010 is berekend € 4.000. Er is rekening gehouden met de vrijstelling voor het desbetreffende jaar. In dit geval kunt u beter schenken in 2009 dan in 2010.
Voorbeeld 3
De ouders schenken aan een kind bijvoorbeeld € 135.000. Het verschuldigde schenkingsrecht over 2009 is berekend op € 14.332, terwijl de verschuldigde schenkbelasting over 2010 is berekend op € 13.500. Er is rekening gehouden met de vrijstelling voor het desbetreffende jaar. In dit geval kunt u beter schenken in 2010 dan in 2009.
Er ligt tevens een voorstel dat u als ouders in 2010 de mogelijkheid krijgt om uw kind tussen de 18 en 35 jaar belastingvrij maximaal € 50.000 te schenken, mits uw kind dat bedrag gebruikt voor de aankoop van een eigen woning of voor een studiefonds. In het geval dat uw kind al vóór 1 januari 2010 een beroep heeft gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling van € 22.760 (2009), dan geldt als tijdelijke regeling een eenmalige vrijstelling van € 26.000 op voorwaarde dat de schenking wordt gebruikt voor de financiering van een eigen woning.
7 Resolutie van 8 april 1983, nr. 283-4466, V-N 1 oktober 1983, pt. 17.
Pagina 15 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
1.10.2 Schenk aan kleinkinderen en derden
Schenkingen door grootouders aan kleinkinderen en schenkingen aan derden, mogen eenmaal per kalenderjaar belastingvrij worden gedaan tot een bedrag van € 2.734 per verkrijgende persoon. Het moet wel gaan om schenkingen gedaan op of na 1 januari 2009. Wanneer u meer dan € 2.734 schenkt, vervalt de gehele vrijstelling. Kleinkinderen zijn ondergebracht in tariefgroep I met een tariefopslag van 60%.
In het wetsvoorstel Wijziging van de Successiewet 1956 is voorgesteld de tariefschijven, de vrijstellingen en de tarieven voor de schenkbelasting met ingang van 1 januari 2010 te wijzigen. Bij schenking van grootouders aan kleinkinderen, zullen de kleinkinderen geconfronteerd worden met een hoger tarief in 2010 dan in 2009. In 2010 vallen in tariefgroep I de langstlevende partner, de kinderen en de ouders. Kleinkinderen worden geplaatst in tariefgroep I met een tariefopslag van 80%.
1.10.3 Schenk tijdens leven
Het is fiscaal aantrekkelijk(er) uw vermogen al tijdens leven aan uw kind(eren) te schenken dan pas bij uw overlijden na te laten. Bij schenking wordt het bedrag boven de vrijstelling belast. Het aandeel dat uw kinderen ouder dan 23 jaar vererven, wordt volledig belast, omdat ze geen recht op een vrijstelling hebben. Wanneer u binnen 180 dagen vóór uw overlijden een schenking heeft gedaan, dan wordt de schenking geacht niet te zijn geschiedt. Als gevolg hiervan gaat de schenkingsvrijstelling verloren en vallen de geschonken bedragen in uw nalatenschap.
1.10.4 Vraag bedrijfsopvolgingsregeling
U bent successierecht verschuldigd als u ondernemingsvermogen of aanmerkelijk belangaandelen erft. De continuïteit van de onderneming kan in gevaar komen als liquide middelen aan de onderneming onttrokken moeten worden om het verschuldigde successierecht te kunnen betalen. Om dit te voorkomen is de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 opgenomen. Voor de heffing van het successierecht kunnen ondernemingsvermogen (en daarmee vergelijkbare vermogensbestanddelen) en aanmerkelijk belangaandelen in een vennootschap (niet zijnde een beleggingslichaam) bij overlijden voordeliger worden overgedragen naar de opvolger(s).
In het wetsvoorstel Wijziging van de Successiewet 1956 wordt de bedrijfsopvolgingsregeling per 1 januari 2010 als volgt aangepast:
1. de waarde van de objectieve onderneming tot maximaal € 1 miljoen: 100% voorwaardelijk vrijgesteld;
2. de waarde van de objectieve ondernemer boven € 1 miljoen: 100% van € 1 miljoen plus 83% van het meerdere boven € 1 miljoen voorwaardelijk vrijgesteld.
Daarnaast kan de bedrijfsopvolgingsregeling alleen worden toegepast als de overledene de onderneming of de aanmerkelijk belangaandelen al minimaal 1 jaar voorafgaand aan het overlijden in bezit had.
Pagina 16 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
Erfrechtelijke verkrijgers van ondernemingsvermogen of aanmerkelijk belangaandelen die geen beroep doen op de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 of de nieuwe erfbelasting zijn successierecht/erfbelasting over die verkrijging verschuldigd. In de IB-sfeer wordt de vererving gezien als een vervreemding waarover inkomstenbelasting is verschuldigd. De verkrijgers kunnen de nominale inkomstenbelastingschuld in mindering brengen op de nalatenschap in plaats van de latente inkomstenbelastingclaim.
1.10.5 Bent u nog partner in de nieuwe schenk- en erfbelasting?
Voor de heffing van het successierecht heeft de echtgenoot of echtgenote van de overledene in 2009 recht op een vrijstelling van € 532.570, verminderd met de waarde van de aanspraak op een nabestaandenpensioen. Deze hoge vrijstelling geldt ook voor:
1. geregistreerde partners;
2. ongehuwd samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract die na hun 18e jaar minimaal 6 maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de GBA;
3. ongehuwd samenwonenden die na hun 22e jaar gedurende minimaal 5 jaar achtereen een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd met geen ander dan met 1 of meer kinderen tot 27 jaar van 1 van hen of van hen beiden.
Naar verwachting wordt op 1 januari 2010 de nieuwe schenk- en erfbelasting ingevoerd. Voor de erfbelasting worden als partner aangemerkt:
1. gehuwden;
2. geregistreerde partners;
3. ongehuwd meerderjarige samenwonenden met een samenlevingscontract;
4. ongehuwd meerderjarige samenwonenden die ook zonder samenlevingscontract gedurende een onafgebroken periode van 5 kalenderjaren een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de GBA. De samenwonenden mogen niet aan elkaar verwant zijn via de rechte lijn. Een uitzondering geldt voor bloedverwanten in de eerste graad (ouders-kind), mits de overledene in het jaar voorafgaand aan diens overlijden met de andere bloedverwant een mantelzorgcontract is overeengekomen.
Verder is voorgesteld het bedrag van de vrijstelling tot verhogen naar € 600.000.
2 Tips voor ondernemer
2.1 Beheer uw debiteuren
Om uw klanten te stimuleren tijdig te betalen, kunt u korting geven bij eerdere betaling. Maar stort het kortingsbedrag pas, om misbruik te voorkomen, als het hele factuurbedrag vervroegd is betaald. Wijk niet af van de gekozen betalingstermijn, ook niet als het om een goede klant gaat. Is de betalingstermijn verlopen, wacht dan niet te lang met een herinnering of aanmaning. U voorkomt hiermee onduidelijkheden.
Pagina 17 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
2.2 Beloon uw meewerkende partner
Het is voor u wellicht fiscaal aantrekkelijk(er) uw partner te laten meewerken in uw onderneming. Voor deze werkzaamheden kunt u een daadwerkelijke beloning toekennen. Arbeidsbeloningen van € 5.000 en hoger zijn bij u aftrekbaar van de ondernemingswinst en bij uw fiscale partner belast als resultaat uit overige werkzaamheden of loon uit (fictieve of echte8) dienstbetrekking. Anders gezegd, een arbeidsvergoeding onder de € 5.000 is bij u niet aftrekbaar9 van de fiscale winst en onbelast10 bij uw fiscale partner.
Wanneer uw meewerkende partner geen daadwerkelijke arbeidsvergoeding ontvangt, bent u verplicht de meewerkaftrek toe te passen, mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het bedrag van de meewerkaftrek is bij uw meewerkende partner onbelast. De staatssecretaris van Financiën heeft goedgekeurd dat de meewerkaftrek ook geldt als uw fiscale partner een vergoeding lager dan € 5.000 ontvangt11. De omvang van de meewerkaftrek is afhankelijk van het aantal uren dat uw partner meewerkt. Er is helaas geen vast omslagpunt wanneer de meewerkaftrek dan wel de arbeidsbeloning voor u gunstiger is. De keuze voor de meewerkaftrek of de arbeidsbeloning is afhankelijk van de volgende factoren:
• de omvang van de winst en de MKB-winstvrijstelling;
• de tariefschijf waarin beide partners vallen;
• het aantal uren dat de partner meewerkt;
• de heffingskortingen;
• de omvang van de arbeidsbeloning.
In de situatie dat de partners kunnen afzien van het fiscale partnerschap12 is een arbeidsbeloning onder de € 5.000 wel aftrekbaar van de ondernemingswinst.
2.3 Houd uw ondernemingsuren bij
Wanneer u in aanmerking wilt komen voor de ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, meewerkaftrek, startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek) en de MKB-winstvrijstelling moet u in 2009 minimaal 1.225 uren voor uw onderneming(en) werken. Bovendien moet u voor meer dan 50% van de in totaal beschikbare arbeidstijd werken in uw onderneming(en). Dit urencriterium geldt onverkort voor deeltijdondernemers en in geval van (langdurige) ziekte of overlijden van gezinsleden. Voor zwangere onderneemsters wordt niet het aantal uren verlaagd, maar gaat men uit van de fictie dat de onderneemster heeft doorgewerkt tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof. Startende ondernemers hoeven niet te voldoen aan de 50%-eis, maar wel aan de eis van 1.225 uren. Houd dus al gedurende het jaar met behulp van een urenadministratie of een agenda bij
8 Een echte dienstbetrekking valt onder de werknemersverzekeringen.
9 Op grond van art. 3.16, vierde lid, Wet IB 2001.
10 Op grond van art. 3.81 Wet IB 2001 nader geregeld in art. 11, eerste lid, onderdeel s, Wet LB 1964.
11 Besluit van 19 januari 2006, nr. CPP2006/73M, BNB 2006/195.
12 In de zin van art. 1.2 Wet IB 2001.
Pagina 18 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
hoeveel uren u heeft gewerkt en wat u toen heeft gedaan. U moet immers bewijzen dat u het vereiste aantal uren heeft gewerkt.
2.4 Beding een stakingslijfrente bij uw bedrijfsopvolger
Wanneer u bij de overdracht van uw onderneming aan uw opvolger stille en/of fiscale reserves realiseert, worden die als stakingswinst belast tegen het progressieve IB-tarief. U kunt directe belastingheffing voorkomen door bij uw bedrijfsopvolger een stakingslijfrente te bedingen, waarvan de toekomstige termijnen zijn belast. Anders gezegd, de gerealiseerde stakingswinst stort u als lijfrentekoopsom in de onderneming van uw bedrijfsopvolger. Op deze wijze realiseert u een tariefs- en liquiditeitsvoordeel. De stakingswinst wordt immers tegen maximaal 52% belast, terwijl de lijfrentetermijnen veelal in een lagere tariefschijf vallen. Dit tariefverschil loopt nog verder op als de uitkeringen plaatsvinden op of na uw 65e verjaardag. Voordat u beslist een stakingslijfrente te willen bedingen, moet u wel doordrongen zijn van een aantal andere aspecten. Wanneer uw bedrijfsopvolger bijvoorbeeld onverhoopt failliet gaat, bent u uw recht op de stakingslijfrente en uw koopsombedrag kwijt. Een ander belangrijk aspect is het zogenoemde lang of kort levenrisico. Het is voor u voordeliger als het verzekerde lijf lang blijft leven. Er zijn maar weinig lijfrentetermijnen uitgekeerd als het verzekerde lijf snel overlijdt, wat voor u nadelig is.
2.5 Startende ondernemer schrijf willekeurig af
Om de liquiditeit en het rendement voor startende ondernemers te verbeteren, kan onder voorwaarden in de beginfase van de onderneming willekeurig worden afgeschreven op bedrijfsmiddelen. Voorwaarde is dat u recht heeft op de extra zelfstandigenaftrek voor starters. In afwijking van de normale afschrijvingsregels kunt u het afschrijvingsbedrag ineens, sneller of trager ten laste van uw winst brengen. De willekeurige afschrijving kan wel invloed hebben op uw toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve.
2.6 Schuif uw investeringen door
Hoe hoger uw investeringsbedrag in bedrijfsmiddelen, des te lager het percentage van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Daarom is het voor u soms gunstiger de investeringen in bedrijfsmiddelen te verdelen over meerdere kalenderjaren, zodat per kalenderjaar een zo hoog mogelijk aftrekpercentage kan worden verkregen, en wellicht zelfs wordt vermeden dat de aftrekpost verloren gaat door het overschrijden van het maximuminvesteringsbedrag van € 240.000 in 2009. Het doorschuiven van 1 investering naar een volgend jaar kan onder omstandigheden derhalve meer dan het bedrag daarvan aan extra kleinschaligheidsinvesteringsaftrek opleveren.
In het Belastingplan 2010 is voorgesteld met ingang van 1 januari 2010 het maximale investeringsbedrag vast te stellen op € 300.000 en het maximale percentage te verhogen van 25% naar 28%. Verder is de volgende nieuwe berekeningsmethode voorgesteld:
Pagina 19 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
U investeert bijvoorbeeld
Investeringsbedrag
Percentage
KIA
Vermindering KIA
Per saldo KIA
vanaf
tot en met
percentage
bedrag
€ -
€ 2.200
0%
€ -
€ -
€ 54.000
€ 2.200
€ 54.000
28%
€ 15.120
€ 15.120
€ 100.000
€ 54.000
€ 100.000
28%
€ 15.120
€ 15.120
€ 180.000
€ 100.000
€ 180.000
28%
€ 15.120
7,60%
€ 6.080
€ 9.040
€ 298.940
€ 100.000
€ 298.940
28%
€ 15.120
7,60%
€ 15.119
€ 1
De investeringsaftrek geldt tot en met 2009 alleen voor personenauto’s die zijn bestemd voor het beroepsvervoer. Het kabinet stelt voor ook zeer zuinige personenauto’s en elektrische auto’s per 1 januari 2010 onder de KIA te laten vallen. Onder een zeer zuinige personenauto wordt verstaan een auto met een CO2-uitstoot van maximaal 95 gr/km voor diesel of een CO2-uitstoot van maximaal 110 gr/km voor niet diesel.
De KIA geldt voor degenen die hun onderneming in de vorm van een eenmanszaak, VOF, CV of BV uitoefenen.
2.7 Schrijf versneld af
Ondernemingen kunnen in de aangifte er voor kiezen investeringen in bepaalde bedrijfsmiddelen die in het kalenderjaar 2009 plaatsvinden in 2 jaar af te schrijven tot de restwaarde. Kortom, in 2009 en 2010 kan elk jaar maximaal 50% worden afgeschreven. Hieraan zijn wel voorwaarden verbonden. Het gaat om investeringen in uitrusting, transportmiddelen en vaste installaties in de openlucht. De willekeurige afschrijving 2009 is daarom van toepassing op bestel-, vrachtauto’s, computers, machines en installaties en zeer zuinige personenauto’s. De volgende bedrijfsmiddelen zijn uitgezonderd:
• gebouwen;
• grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
• bromfietsen, motorrijwielen en personenauto’s, met uitzondering van taxi’s en zeer zuinige auto’s (CO2-uitstoot van maximaal 95 gr/km voor diesel of een CO2-uitstoot van maximaal 110 gr/km voor niet diesel);
• dieren;
• immateriële vaste activa, zoals software, goodwill (commerciële waarde van bedrijf), octrooi en patenten (door overheid verleend uitsluitend recht voor maken en verkopen van artikelen of voor exploiteren van uitvindingen).
Ondernemingen kunnen evenmin willekeurig afschrijven op:
• tweedehands aangeschafte bedrijfsmiddelen;
• bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk (meer dan 70%) bestemd zijn om ter beschikking te worden gesteld aan derden.
Pagina 20 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
Verhuurders die bedrijfsmiddelen tijdelijk verhuren kunnen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 willekeurig afschrijven op bijvoorbeeld bestelauto’s, aanhangwagens, hoogwerkers en gereedschap.
Er kan ook willekeurig worden afgeschreven op milieu-bedrijfsmiddelen (VAMIL-regeling) en investeringen door startende ondernemers. Ondernemers als u moeten kiezen welke vorm van willekeurige afschrijving zij willen toepassen. Samenloop van de verschillende mogelijkheden is derhalve onmogelijk.
In het Belastingplan 2010 is voorgesteld de willekeurige afschrijving met 1 jaar te verlengen. Ondernemingen die in 2010 investeren in voornoemde bedrijfsmiddelen kunnen die dan in 2010 en 2011 voor maximaal 50% per jaar afschrijven.
2.8 Pas zelfstandigenaftrek toe
Een ondernemer als u die op 1 januari 2009 jonger dan 65-jaar is en bijvoorbeeld € 4.000 winst uit onderneming vóór de ondernemersaftrek realiseert, heeft in 2009 recht op de zelfstandigenaftrek van € 9.251. De belastbare winst uit onderneming (zonder rekening te houden met MKB-winstvrijstelling) bedraagt dan negatief € 5.251. Dit negatieve bedrag kan (verticaal) worden verrekend met ander positief inkomen uit werk en woning in box 1. In geval ander positief inkomen uit werk en woning in box 1 ontbreekt, wordt het negatief belastbaar inkomen uit werk en woning over 2009 ad € 5.251 verrekend met het positieve belastbaar inkomen uit werk en woning over respectievelijk 2006, 2007, 2008 en 2010 tot en met 2018. Een ondernemer met ondernemingswinst lager dan het bedrag van de zelfstandigenaftrek die ander inkomen uit werk en woning geniet, verkeert daarom in een fiscaal gunstiger positie dan een ondernemer in dezelfde situatie zonder ander inkomen uit werk en woning.
In het Belastingplan 2010 stelt het kabinet voor de zelfstandigenaftrek met ingang van 1 januari 2010 niet langer te verrekenen met ander inkomen uit werk en woning in box 1. Ondernemers met en zonder ander inkomen uit werk en woning komen daardoor in een vergelijkbare fiscale positie te verkeren. Vanaf 1 januari 2010 kan de zelfstandigenaftrek slechts worden verrekend tot het bedrag van de winst uit onderneming. In het eerder genoemde voorbeeld is de ondernemingswinst kleiner dan de zelfstandigenaftrek. Het niet benutte deel van de zelfstandigenaftrek van € 5.251 kan in de 9 volgende kalenderjaren worden verrekend met de winst die in de jaren overblijft na toepassing van de zelfstandigenaftrek van dat kalenderjaar. De aanpassing in de verrekening van de zelfstandigenaftrek geldt daarentegen niet voor startende ondernemers. Zij mogen net als nu gedurende 3 jaar de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek nog verrekenen met ander inkomen. De inspecteur stelt het niet benutte deel van de zelfstandigenaftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking en vermeldt dit bedrag afzonderlijk op het aanslagbiljet.
Pagina 21 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
2.9 Vraag aftrek S&O aan
Als zelfstandig ondernemer heeft u onder voorwaarden recht op toepassing van de S&O-aftrek. U moet dan minimaal 1.225 uur aan uw onderneming besteden én op jaarbasis meer dan 500 uur aan S&O-werk, waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. Voor 2009 bedraagt de S&O-aftrek € 11.806. Bent u een startende ondernemer dan is aftrekbaar € 17.710.
2.10 Pas MKB-winstvrijstelling toe
De belastingdruk op winst uit onderneming wordt in 2010 ten opzichte van 2009 verminderd door de verhoging van de MKB-winstvrijstelling en het loskoppelen van het urencriterium en de MKB-winstvrijstelling.
2.10.1 Verhoging MKB-winstvrijstelling
Het kabinet heeft voorgesteld de MKB-winstvrijstelling met ingang van 1 januari 2010 te verhogen van 10,5% naar 12%.
2.10.2 MKB-winstvrijstelling in 2010 ook voor hybride en deeltijdondernemers
De MKB-winstvrijstelling geldt alleen voor ondernemers die in 2009 minimaal 1.225 uren besteden aan werkzaamheden in hun onderneming(en) en van de in totaal beschikbare arbeidstijd meer dan 50% werken in hun onderneming(en). Anders gezegd, de MKB-winstvrijstelling kan worden toegepast op voorwaarde dat aan het urencriterium wordt voldaan.
Het kabinet stelt voor het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling te laten vervallen. Hybride en deeltijdondernemers kunnen met ingang van 1 januari 2010 de MKB-winstvrijstelling toepassen, ongeacht het aantal uren dat aan de onderneming is besteed. Hybride ondernemers zijn mensen die naast hun baan een onderneming hebben. Deeltijdondernemers zijn mensen die in deeltijd (zonder baan ernaast) ondernemen. Door het afschaffen van het urencriterium voor hybride en deeltijdondernemers wordt de marginale belastingdruk op hun winst uit onderneming verlaagd.
2.11 Laat uw herinvesteringsreserve niet verlopen
Heeft u een herinvesteringsreserve doordat u de afgelopen 3 jaren een bedrijfsmiddel voor meer dan de boekwaarde heeft verkocht? Zorg er dan voor dat u deze benut voor nieuwe investeringen. Doet u dit niet binnen 3 jaar, dan valt de reserve verplicht vrij ten gunste van het fiscale resultaat. U moet jaarlijks aan het einde van het boekjaar aannemelijk kunnen maken dat er nog een herinvesteringsvoornemen bestaat.
Pagina 22 van 39
Disclaimer
Aan de Eindejaarstips 2009 van het FKC Fiscaal Kenniscentrum BV is de grootst mogelijke zorg besteed. Voor
informatie die onvolledig of onjuist is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die worden
ondernomen op basis van deze tips aanvaardt FKC BV geen aansprakelijkheid. Publicatie: naar de stand van de
voorgestelde wetgeving per 23 november 2009.
2.12 Laat verliezen niet verdampen
Sinds 2007 is de verliesverrekening in box 1 beperkt. U mag uw verliezen nog wel 3 jaar achterwaarts blijven verrekenen, maar de voorwaartse verliesverrekening is tot 9 jaar beperkt. Bent u tevens aanmerkelijk belanghouder dan mag u een box-2-verlies 1 jaar achterwaarts verrekenen en 9 jaren voorwaarts. Voor verliezen die op 1 januari 2003 al bestonden, zijn op grond van een overgangsregeling tot en met 2011 verrekenbaar. Laat uw verliezen niet verdampen! Maar creëer, indien mogelijk, fiscale winst.
3 Tips voor werkgever en werknemer
3.1 Stort ontslagvergoeding in stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht
Heeft u van uw ex-werkgever een ontslagvergoeding voor gederfd of te derven loon ontvangen, dan kunt u dit bedrag bij toekenning zonder inhouding van loonheffing in de vorm van een stamrecht onderbrengen bij een verzekeraar of een eigen BV.
In het Belastingplan 2010 is voorgesteld dat een dergelijke ontslagvergoeding met ingang van 1 januari 2010 ook belastingvrij kan worden overgemaakt naar een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht, mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het tegoed op d