Administraties
Adviezen
Controles en begeleiding
Belastingzaken
Salarisadministraties
Jaarrekeningen
Postbus 5
6675 ZG Valburg
Tielsestraat 62
6675 AE Valburg
T 0488 431801
F 0488 431952
E info@acm-valburg.nl
BTW nr: 8084.05.585.b.01
Kvk nr: 10036367
Becon nr: 365932
Gecertificeerd Lid N.O.A.B.
(Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen)
Wand verwijderd: bestelauto toch geen personenauto
Datum: 09-12-2009
Het verwijderen van een vaste wand van een bestelauto maakte er nog geen personenauto van, zo oordeelde Rechtbank Den Haag onlangs.
Casus
Een man heeft een auto, die normaliter is voorzien van een vaste wand. Om een lading planken te vervoeren, heeft hij op 10 september 2008 de vaste wand verwijderd. Op 20 september 2008 plaatste hij de wand weer terug.
Een controle op 19 september 2008 resulteerde in een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en een boete, die in bezwaar zijn gehandhaafd.
De man vond dit niet terecht en heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld.
Geschil
Het gaat in deze zaak om de vraag of de naheffingsaanslag en boete terecht zijn opgelegd.
Wat de naheffingsaanslag betreft is het antwoord op de vraag of door de tijdelijke afwezigheid van een vaste wand de auto niet langer als bestelauto maar als personenauto moet worden aangemerkt van belang.
Bij de boete gaat het erom of er al dan niet sprake is van grove - dat wil zeggen: in laakbaarheid aan opzet grenzende - schuld van de man.
Beoordeling
De naheffingsaanslag
De man heeft onder meer gesteld dat hij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gekregen tot terugplaatsing van de vaste wand. De rechtbank passeert deze stelling van de man. Immers, op grond van de Leidraad BPM 2006 wordt in een aantal situaties - waarin een motorrijtuig niet voldoet aan de eisen om als bestelauto te worden aangemerkt - weliswaar de mogelijkheid tot herstel geboden in plaats van meteen na te heffen, maar het ontbreken van een vaste wand is uitdrukkelijk uitgesloten van de mogelijkheid tot herstel.
Ook het beroep van de man op de antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën op vragen uit de Tweede Kamer, zoals neergelegd in zijn brief van 24 april 2009, nr. DGB09-2261 (gepubliceerd in V-N 2009/23.21) gaat volgens de rechtbank niet op.
De Staatssecretaris van Financiën heeft in die brief aangegeven dat hij bereid was te bezien of de regelgeving met betrekking tot de naheffing van BPM bij het ontbreken van een vaste wand kan worden versoepeld. Nu de Leidraad BPM bij de aanpassing daarvan op 12 mei 2009 geen tegemoetkoming op dit punt bevat, heeft de Staatssecretaris van Financiën daartoe kennelijk (vooralsnog) geen aanleiding gezien.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
De boete
Volgens de rechtbank komt het standpunt van de man erop neer dat hij zich niet bewust was van de fiscale rechtsgevolgen van het verwijderen van de vaste wand. Dan doet zich de vraag voor of dit niet-bewust zijn zodanig laakbaar is dat sprake is van grove schuld.
De rechtbank is het eens met de stelling van de inspecteur dat de man bekend mag worden verondersteld met de eisen waaraan een auto moet voldoen om te worden aangemerkt als een bestelauto. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur echter niet aannemelijk gemaakt dat van de man redelijkerwijs had mogen worden verwacht dat hij als eigenaar van de auto op de hoogte is van het feit dat het verwijderen van de vaste wand - en het dus niet voldoen aan één van de eisen voor een bestelauto - zonder meer meebrengt dat de auto als personenauto wordt aangemerkt en leidt tot de verschuldigdheid van BPM.
Kortom, de rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van grove schuld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond en het beroep tegen de boete gegrond. De uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking en de boetebeschikking worden vernietigd.
Bron: Rechtbank ’s-Gravenhage, AWB 09/3262 >>