Administraties
Adviezen
Controles en begeleiding
Belastingzaken
Salarisadministraties
Jaarrekeningen
Postbus 5
6675 ZG Valburg
Tielsestraat 62
6675 AE Valburg
T 0488 431801
F 0488 431952
E info@acm-valburg.nl
BTW nr: 8084.05.585.b.01
Kvk nr: 10036367
Becon nr: 365932
Gecertificeerd Lid N.O.A.B.
(Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen)
Inlener en doorlener aansprakelijk voor premieheffing
Datum: 29-01-2009
Een uitzendbureau heeft in 1999 en 2000 personeel ingeleend en doorgeleend aan andere bedrijven. Wie is aansprakelijk voor de premieheffing?
Casus
Een detacherings-, uitzend- en ingenieursbureau (hierna: X B.V) heeft in 1999 en 2000 personeel ingeleend van A en doorgeleend aan andere bedrijven, waaronder aan G. Het personeel werkte op het bedrijfsterrein en onder leiding en toezicht van G.
Bij A zijn een strafrechtelijk onderzoek en boekenonderzoeken (loonbelasting en omzetbelasting) ingesteld. Uit de boekenonderzoeken is gebleken dat A op in het geheel niet aan haar wettelijke administratieplichten heeft voldaan.
Op grond van de resultaten van de boekenonderzoeken zijn aan A voor aanzienlijke bedragen naheffingsaanslagen loonbelasting/ premievolksverzekeringen en omzetbelasting opgelegd. A heeft deze naheffingsaanslagen niet betaald.
Bij X B.V. is vervolgens een onderzoek ingesteld in verband met inleners- en/of ketenaansprakelijkheid. Naar aanleiding daarvan heeft de ontvanger X B.V. aansprakelijk gesteld voor een gedeelte van de aan A opgelegde naheffingsaanslagen. Bij uitspraak op bezwaar is het bedrag van de aansprakelijkstelling verminderd. X B.V. heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
Geschil
Het gaat in deze zaak om de vraag of de aansprakelijkstelling van X B.V. voor de naheffingsaanslagen terecht en tot het juiste bedrag is.
De ontvanger blijft bij zijn standpunt dat de naheffingsaanslagen juist zijn.
X B.V. vindt dat niet zij, maar G aansprakelijk had moeten worden gesteld. G biedt namelijk ruimschoots verhaal, terwijl bij X B.V. de continuïteit van haar onderneming in gevaar komt door de naheffingsaanslagen. Voorts is X B.V. van mening dat de ontvanger in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. X B.V. heeft van A namelijk verschillende door de ontvanger aan A afgegeven 'Verklaringen van betalingsgedrag loonbelasting/premie volksverzekeringen' ontvangen, waaruit bleek dat A voldeed aan haar fiscale verplichtingen.
Wettelijk kader
In deze zaak is allereerst van belang artikel 34, Invorderingswet 1990, tweede lid, waarin is bepaald dat onder inlener mede wordt verstaan de doorlener, zijnde degene aan wie een werknemer ter beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn.
Verder zijn relevant de artikelen 34, paragraaf 2, 35, paragraaf 14, eerste lid, onder 1 e, van de Leidraad Invordering 1990 (hierna: de Leidraad). In artikel 34, paragraaf 2, van de Leidraad is vermeld: ‘Bij situaties waarin sprake is van doorlenen alsmede in situaties als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn meerdere derden aansprakelijk voor dezelfde schuld. Voor wat betreft de volgorde waarin deze derden aansprakelijk worden gesteld, is het bepaalde in artikel 35, § 14, eerste lid, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Dit betekent in doorleensituaties dat over het algemeen de doorlener als eerste aansprakelijk wordt gesteld en pas daarna de uiteindelijke inlener.’
Artikel 35, paragraaf 14, eerste lid, onder 1e, van de Leidraad luidt: ‘Als eerste wordt aansprakelijk gesteld de aannemer die rechtstreeks met de in gebreke gebleven (onder)aannemer heeft gecontracteerd, tenzij op grond van de voorhanden zijnde gegevens redelijkerwijs moet worden aangenomen dat aansprakelijkstelling van die aannemer niet tot voldoening van de schuld zal leiden. In dat geval wordt aansprakelijk gesteld de aannemer die in de keten de minst ver verwijderde schakel vormt en van wie op grond van de voorhanden zijnde gegevens redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij in staat is de schuld te voldoen.’
Beoordeling
Aansprakelijkstelling van X B.V.
De rechtbank overweegt eerst dat X B.V. moet worden aangemerkt als inlener als bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet. Immers, zij heeft personeel ingeleend van A en vervolgens doorgeleend aan G.
Uit de Leidraad volgt dat over het algemeen de doorlener als eerste aansprakelijk wordt gesteld en pas daarna de uiteindelijke inlener. Op grond van dit - door de rechtbank niet kennelijk onredelijk geachte - beleid is X B.V., die rechtstreeks met A heeft gecontracteerd, aansprakelijk gesteld. Dat de continuïteit van de onderneming van X B.V. gevaar loopt of dat X. B.V. (een deel van) de schuld niet zou kunnen voldoen, is volgens de rechtbank niet aannemelijk geworden; X B.V. heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt
Zorgvuldigheidsbeginsel
In de verklaringen van betalingsgedrag staat met zoveel woorden vermeld dat A alle verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft betaald. Door het afgeven van deze verklaringen heeft de ontvanger naar het oordeel van de rechtbank bij X B.V. ten onrechte de indruk gewekt dat A een betrouwbare uitlener was. Volgens de rechtbank had de ontvanger dit kunnen voorkomen. Hij wist immers dat er malversaties gaande waren bij A; er waren dus voldoende redenen om te stoppen met het afgeven van de verklaringen. Dit is echter niet gebeurd. Dat de ontvanger op enig moment wel - om inleners erop attent te maken dat de loonafdrachten wel erg minimaal waren – (lage) bedragen aan aangiftes en afdrachten in de verklaringen is gaan opnemen, acht de rechtbank onvoldoende. Bovendien waren deze bedragen weggelakt in de kopieën die X B.V. van A heeft ontvangen.
De rechtbank passeert de stelling van de ontvanger dat het afgeven van de verklaringen X B.V. niet ontslaat van aansprakelijkstelling, omdat daarin door de ontvanger steeds uitdrukkelijk is vermeld dat de inlener door de verklaring niet wordt vrijgesteld van zijn aansprakelijkheid; een dergelijk algemeen voorbehoud kan, zo oordeelt de rechtbank, door de ontvanger niet worden ingeroepen ter voorkoming voor aansprakelijkheid voor schade door onzorgvuldig handelen van zijn kant.
De rechtbank neemt tot slot nog in aanmerking dat X B.V. naar haar oordeel voldoende heeft gedaan om aansprakelijkstelling te voorkomen. Zo heeft zij in 1999 en 2000 rechtstreeks bedragen voor de loonheffing aan de ontvanger overgemaakt en gegevens bijgehouden van werknemers die bij haar werkzaam waren. Ook heeft X B.V. in dit verband onweersproken gesteld dat zij zonder de verklaringen geen personeel van A zou hebben ingeleend.
Kortom, de ontvanger heeft jegens X B.V. gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die een overheidslichaam in zijn verkeer met de burger dient te betrachten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de beschikking waarbij X B.V. aansprakelijk is gesteld.
Bron: Rechtbank Haarlem, d.d. 12 november 2008, 07/3870 >>